Hieronder de definitie van pierewaaien, zoals deze vermeld staat in de "van Dale"
pie·re·waai·en (onov.ww.)
1 [inf.] aan de zwier zijn => boemelen
boe·me·len (onov.ww.) 1 zijn tijd doorbrengen met uitgaan => aan de boemel zijn, dweilen, op de zwier gaan, pierewaaien, pintelieren, rinkelrooien, slijpen, stappen
2 met de stoptrein reizen
|